Reactie BrightPensioen Internetconsultatie Zelfstandigenwet
Op 29 oktober heeft BrightPensioen gereageerd op de Internetconsultatie Zelfstandigenwet. Hierbij zijn we uitsluitend ingegaan op de voorzieningen tegen risico’s die horen bij het werken als zelfstandig ondernemer. Als we voor eigen parochie zouden preken zouden we kunnen pleiten voor een minimale pensioenbijdrage voor pensioen. Maar i.t.t. de Pensioenfederatie laten we dit graag aan de ondernemer zelf. Wél pleiten we ervoor dat de – in 2023 sterk vergrote – fiscale ruimte voor jaarruimte ook als vangnet ingezet kan worden in periodes van financieel zwaar weer.
Tekst Reactie BrightPensioen
In de concept zelfstandigenwet is opgenomen dat zelfstandigen jaarlijks “een x-bedrag” dienen te besteden aan voorzieningen tegen risico’s die horen bij het werken als zelfstandig ondernemer. In de zogenoemde ‘Oplegger met vragen ten behoeve van de internetconsultatie’ wordt expliciet gevraagd naar de hoogte van een minimumbedrag. Daarnaast wordt er in de oplegger gevraagd of er toetsbare voorzieningen ontbreken in de conceptwet. In deze reactie gaan we uitsluitend op deze twee vragen in.
Verzekeringen en voorzieningen
Er wordt onderscheid gemaakt tussen verzekeringen (arbeidsongeschiktheid, bedrijfs- of beroepsaansprakelijkheid, bedrijfsschade en rechtsbijstand) aan de ene kant en voorzieningen, zoals voor pensioen en kortdurende ziekte aan de andere kant.
Voor verzekeringen worden premies betaald. Voorzieningen zijn buffers die door de zelfstandige aangehouden worden voor economisch onzekere tijden. Het lijkt ons zinvol om die twee te scheiden, gezien het verschillende karakter. De bedragen voor premies en buffers – voor wat betreft de vraag naar het minimumbedrag – kunnen dan ook niet als appels en peren bij elkaar op worden.
Doel
Het doel van deze verzekeringen en voorzieningen zal vermoedelijk zijn om een (te) grote armoedeval bij zelfstandigen te voorkomen. Zelfstandigen kunnen immers geen aanspraak maken op sociale voorzieningen als hun inkomen wegvalt. En daarom moeten ze zelf een buffer (voorziening) aanhouden, dan wel verzekeringen voor bepaalde risico’s afsluiten.
Verzekeringen
Ten aanzien van verzekeringen geldt dat uitsluitend een verzekering tegen langdurige arbeidsongeschiktheid (AOV) zinvol / wenselijk / noodzakelijk is voor alle zelfstandigen. Iedereen kan arbeidsongeschikt worden en de schade of kosten van langdurige of permanente arbeidsongeschiktheid is niet of nauwelijks door een buffer (voorziening) op te vangen. Dit is dan ook waar de wet BAZ voor bedoeld is.
De genoemde verzekeringen zijn zeer beroeps-afhankelijk. Een beroepsaansprakelijkheidsverzekering is zeer gebruikelijk voor bijvoorbeeld advocaten of consultants maar zal minder vaak door bijvoorbeeld bouwvakkers worden afgesloten. Die laatste groep zal juist vaker een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering afsluiten. Generieke regels voor verzekeringen en de hoogte daarvan – anders dan de AOV – voor alle zelfstandigen lijken ons daarom weinig zinvol. Je hebt een verzekering nodig of niet. En als je hem nodig hebt, dan is de hoogte van de premie niet een vrije keuze. Dus het is ons inziens dan ook niet zinvol hier een minimum bedrag voor op te nemen.
Voorzieningen
Als voorzieningen worden genoemd ‘pensioen’ en ‘kortdurende ziekte’. Een ontbrekende voorziening is er één voor het wegvallen van inkomsten door andere redenen dan kort of langdurende ziekte of arbeidsongeschiktheid. Er kunnen immers vele redenen zijn die ervoor zorgen dat opdrachten – en inkomen – wegvallen. Een grote klant die failliet gaat, veranderende wetgeving waardoor opdrachtgevers huiverig worden om zelfstandigen in te huren(!), Artificial Intelligence, een volgend Coronavirus, etc.
Fiscale voorziening
Een fiscaal gefaciliteerde voorziening voor pensioen bestaat al voor zelfstandigen. Dat is lijfrente, ook wel derdepijlerpensioen genoemd. We zien in de praktijk dat zelfstandigen geld voor een financiële buffer – ook voor pensioen – eerder op een gewone spaar- of beleggingsrekening in Box3 opzijzetten. Ook al is dit fiscaal minder aantrekkelijk dan Box1. De belangrijkste reden is dat zelfstandigen, in geval van financieel uitdagende tijden, bij hun geld moeten kunnen komen. Ze weten immers nooit wanneer ze hun vangnet moeten kunnen aanspreken. Hopelijk pas als ze met pensioen gaan, maar dat kan ook eerder zijn. Bovendien is er tegen de tijd dat ze met pensioen gaan wél een vangnet (AOW), maar tot die tijd niet.
Financiële buffer in Box1
Dankzij de fiscale verruiming voor lijfrente in Box1 – van 13,3% naar 30% van de pensioengrondslag en 42.753 (2026) aan reserveringsruimte – is het inmiddels mogelijk om in Box1 een buffer op te bouwen die ruimte biedt voor meer dan pensioen alleen. Alleen moet het dan ook mogelijk worden om deze buffer – zonder revisierente – voor meer dan pensioen alleen aan te kunnen spreken. Zelfstandigenorganisaties zoals de VZN pleiten al langer voor een fiscaal gefaciliteerde buffer voor zelfstandigen. De ruimte hiervoor en het fiscale jasje bestaat dus al onder de noemer lijfrente. Alleen op dit moment niet te gebruiken bij financieel zwaar weer, anders dan langdurige arbeidsongeschiktheid.
Lijfrente bij arbeidsongeschiktheid werkt niet
Met ingang van 2015 is aan artikel 3.133 Wet IB 2001 lid 9 toegevoegd. Sindsdien mag bij bij langdurige arbeidsongeschiktheid een lijfrente geheel of gedeeltelijk worden afgekocht, tot een maximum van EUR 40.000 per kalenderjaar, zonder dat revisierente verschuldigd is. Indertijd bestond de angst dat hier wellicht misbruik van gemaakt zou worden. Die angst blijkt ongegrond. In tien jaar tijd hebben we bij BrightPensioen geen verzoeken van klanten gekregen om hun lijfrente af te kopen vanwege arbeidsongeschiktheid. Ook andere aanbieders onderschrijven dit. Bovendien mogen aanbieders van lijfrente geen medische gegevens opvragen van klanten om te bewijzen dat ze arbeidsongeschikt zijn. En langdurige arbeidsongeschiktheid is nu juist iets dat verzekerd moet worden en wat via de nieuwe verplichte verzekering tegen arbeidsongeschiktheid (BAZ) opgelost gaat worden.
Lijfrente aanspreken bij financiële nood
De drempel om geld opzij te zetten in een Box1 buffer zou veel lager worden als deze niet alleen voor pensioen gebruikt kon worden. Het zou wél zinvol zijn bij kortdurende arbeidsongeschiktheid een deel te kunnen opnemen. De eerste twee jaar worden immers niet gedekt door de nieuwe verplichte verzekering. En ook als het inkomen om andere redenen wegvalt of sterk vermindert zou dit wenselijk zijn.Als criterium kan gehanteerd worden dat het inkomen moet zijn weggevallen tot onder een bepaald niveau. Tot bijvoorbeeld onder het minimumloon. Of wanneer het minder dan 50% van het inkomen van het jaar ervoor is geworden. Deze criteria zouden lijfrenteaanbieders wél kunnen controleren. Bijvoorbeeld aan de hand van aangiftes die in dat geval overlegd moeten worden.
Minimumbedrag of percentage.
Tenslotte de vraag over het minimumbedrag. Wij denken niet dat een vast bedrag logisch is. En dat een (minimum)percentage van het inkomen (winst uit onderneming) van de zelfstandige logischer is. Het gaat om het beperken van een inkomensval, dus dan maakt de hoogte van het inkomen een groot verschil. Het voordeel van gebruik maken van een bestaande fiscale voorziening (lijfrente) is dat er geen nieuwe fiscale faciliteiten nodig zijn. De faciliteit is er al. Het enige dat nodig is, is een kleine wetswijziging die een aantal voorwaarden toevoegt die kunnen gelden voor het afkopen van lijfrente.
Een maximum voor deze voorziening is er ook al: 30% van het pensioengevende inkomen. Er is echter geen minimum. Als minimum voor deze voorziening zou 10% van de pensioengrondslag gehanteerd kunnen worden. We geven toe dat dit niet hoog is, en misschien maar nauwelijks voldoende voor pensioen alleen. Het zal er wel voor zorgen dat zelfstandigen in elk geval gebruik gaan maken van deze mogelijkheid en er bekend mee worden. Maar of ze 10%, 20% of uiteindelijk de maximale 30% opzij gaan zetten vinden we bij de vrijheid en verantwoordelijkheid van zelfstandig ondernemerschap horen.