17 oktober 2014

Doorsneepremie en collectiviteit – FD

Wél collectiviteit aanpakken, maar niet de doorsneepremie

Collectiviteit heeft een groot nadeel: het maakt keuzevrijheid grotendeels onmogelijk, schrijft Sjaak Zonneveld. ‘Tegelijk levert collectiviteit weinig op, blijkens CPB-onderzoek. De overgang naar een individueel stelsel moet bespreekbaar worden: Denemarken en Australië gingen Nederland al voor.’

Afgelopen week concludeerden het CPB en Netspar dat de voordelen van collectief pensioen opbouwen in vergelijking met individuele regelingen sterk zijn afgenomen. De welvaartswinst blijkt inmiddels minder dan een procent, meldde een rapport.

Keuzevrijheid

Maar in plaats van kijken naar de al dan niet geringe winst van collectiviteit, moeten we ons vooral realiseren wat we verliezen als gevolg van collectiviteit. Dat is met name een verlies aan keuzevrijheid. Keuzevrijheid wat betreft de pensioenuitvoerder. Keuzevrijheid in de hoogte van het op te bouwen pensioen. Keuzevrijheid in het te lopen beleggingsrisico. Deze vormen van keuzevrijheid zijn moeilijk te realiseren, juist door de collectiviteit.

Pech- en gelukgeneraties

Als voordeel van collectiviteit noemen pensioenfondsen steevast de risico’s die tussen generaties worden gedeeld. ‘Hiermee voorkomen we dat er pech- en gelukgeneraties ontstaan.’ Dit is een drogreden. Dat er op dit moment sprake is van een pech- (twintigers en dertigers) en een gelukgeneratie (de babyboomers), is júist een gevolg van het ontbreken van individuele eigendomsrechten.

Er is geen generatie die een periode van veertig jaar lang te maken krijgt met tegenvallende beleggingsresultaten. Demografische veranderingen zullen er wél altijd zijn en met name door de collectiviteit van ons stelsel zijn bepaalde generaties hiervan de dupe.

Doorsneepremie

Het CPB-rapport meldt ook dat het Nederlands pensioenstelsel robuuster zou zijn als de huidige doorsneepremie wordt afgeschaft. De doorsneepremie is inderdaad zeer ongunstig voor mensen die de eerste periode van hun werkende leven premie inleggen bij een pensioenfonds en daarna als zelfstandige aan de slag gaan. Echter: de doorsneepremie is niet de veroorzaker van deze oneerlijkheid. Ook dit probleem is een gevolg van het collectieve eigendom.

Bij een stelsel met individuele eigendomsrechten is een doorsneepremie geen enkel probleem. Sterker nog: een gelijke premie voor iedereen heeft grote voordelen ten opzichte van een gestaffelde premie, zoals bij veel dc-regelingen het geval is. Allereerst zorgen deze staffels ervoor dat voor oudere werknemers een veel hogere premie betaald moet worden. Hierdoor worden oudere werknemers – die vaak al relatief duur zijn – nog eens een stuk duurder dan hun jongere collega’s. Daarnaast voegen deze staffels extra complexiteit toe aan het toch al ingewikkelde Nederlandse pensioenstelsel.

Als we naar het buitenland kijken, zien we dat veel landen één vast percentage hanteren, dat als premie gestort moet worden. Dat percentage is onafhankelijk van leeftijd en pensioenuitvoerder. Eén verplicht percentage voor de hele bevolking. Daarbovenop mag men vaak vrijwillig extra storten.

Stabiel

Deze percentages blijken bovendien nauwelijks aan verandering onderhevig. In het veel genoemde (en geroemde) Chileens pensioenstelsel ligt de premie al jaren op 10%. In Australië is het nu 9,5%. Men weet nu al dat deze premie in 2021 omhoog gaat naar 10%, daarna jaarlijks met nog eens een 0,5%-punt om uiteindelijk in 2025 op 12% uit te komen. Daar weet je als burger en bedrijf waar je aan toe bent.

In Nederland schommelen de percentages per jaar en bovendien ook nog eens procyclisch. In de hoogtijdagen van de jaren ‘90 lagen premies vaak onder de 10% en nu het economisch minder gaat twee- tot driemaal(!) zo hoog. Dat heeft een enorme impact op ons besteedbaar inkomen, op de kosten van bedrijven en daarmee op onze economie.

Australië

Maandag publiceerde Mercer de nieuwe lijst van beste pensioenstelsels ter wereld. Denemarken voert de ranglijst nog altijd aan, maar ook Australië blijkt Nederland inmiddels voorbijgestreefd. In beide landen is het stelsel gebaseerd op individueel dc. Interessant is dat beide landen in het verleden, net als Nederland, ook overwegend db-landen waren. Beide hebben succesvol de transitie naar dc gemaakt.

Maar in plaats van te leren van die landen, blijven Nederlandse pensioenfondsen krampachtig aan collectief db vasthouden. Om mensen te overtuigen dat dit beter is, waarschuwen pensioenfondsen vaak voor ‘Amerikaanse toestanden’ die het gevolg zouden zijn van individueel dc.

Australië en Denemarken bewijzen op de recente ranglijst van Mercer dat ‘Amerikaanse toestanden’ niets met dc of db van doen hebben. En ook landen die nu nog onder ons staan op deze lijst hebben een stelsel dat gebaseerd is op individueel dc.

Willen we de komende jaren niet verder wegzakken op de ranglijst van Mercer, dan moet een overgang naar een individueel stelsel bespreekbaar worden. En dan kunnen we de doorsneepremie gewoon in tact laten.

Sjaak Zonneveld is schrijver van ‘Het Nieuwe Werken aan je pensioen’ en commercieel directeur bij BrightPensioen